door Maarten Linssen
Het is zaterdag 1 november. Ik moet met CTD Arnhem voor de competitie een wedstrijd spelen in Mildam tegen damclub Heerenveen. Omdat ik mij nooit zo prettig voel in een auto (en zeker niet als er een lange afstand afgelegd moet worden, in een auto zitten lijkt op mij een claustrofobische uitwerking te hebben, waarschijnlijk is dat nog de beste uitleg) besluit ik met de trein (vooruit) te reizen. Dat betekent wel: vroeg opstaan. En in dit geval, heel vroeg opstaan. Om 4.50 uur om precies te zijn! Waarom zó vroeg? Ten eerste omdat een dammer niet graag in tijdnood komt. Ten tweede omdat ik niet rechtstreeks vanuit Arnhem in Heerenveen kan komen i.v.m. werkzaamheden aan het spoor tussen Deventer en Zwolle en dus met een (flinke) omweg (en veel hobbels en kronkels naar later zal blijken) via Amersfoort moet reizen. Ten derde omdat ik ’s morgens nooit de aller-snelste ben in mijn handelingen. (Hoe anders is dat tijdens veel van mijn dampartijen) Tijd moet altijd een marge hebben. Om 4.50 uur wordt ik dus gewekt door het alarm van de wekker. “Nog heel even blijven liggen en het nieuws van 5.00 uur op de radio horen” denk ik bij mijzelf. Daar begint het getreuzel al. Douchen, brood klaarmaken, koffie zetten, de twee katten te eten geven; de meeste mensen hebben hier 30 hooguit 40 minuten voor nodig. Ik red het amper binnen een uur. De tas inpakken. Heb ik alles? Ja. Nee. Ja toch. Ik mis iets. Nee hoor. Alles gecontroleerd. Het is 06.00 uur, ik ga de deur uit en fiets richting station Arnhem. Op de Huissense dijk (het is inmiddels ruim 10 minuten later) bedenk ik ineens: “Mijn mobiele telefoon ligt nog op de kast in de woonkamer!” Dat miste ik dus. Maar ik keer niet om. Anders heeft de tijd geen marge meer. Ik moet immers een trein halen. Een paar honderd meter voor de John Frostbrug in Arnhem (het is nog pikdonker en de straten zien er verlaten uit) word ik ineens opgeschrikt door een enorm geschreeuw. Een man komt zijn woning lopen met een broodmes in zijn hand, loopt naar de hoek van de straat en schreeuwt tegen een gestalte die tientallen meters verder op een zijstraat is ingelopen: “Ik maak je af, ik maak je helemaal af, dat zweer ik je!” Maar de dolleman blijft (gelukkig maar!) op de hoek van de straat staan en beperkt zich tot schreeuwen en schelden. Een derde persoon probeert hem te kalmeren. Op het moment dat ik de agressieveling passeer met de fiets ben ik niet meer dan anderhalve meter van hem verwijderd. Mijn hartslag is een stuk omhoog gegaan. Waarom fiets ik vlak langs hem op? Ik zie het zeker 40 à 50 meter van tevoren gebeuren. Ik had gemakkelijk een zijstraat in kunnen fietsen om zodoende het (niet ongevaarlijke) tafereel te ontlopen. Maar waarom zou ik? Mijn instinct zegt: De tijd moet marge houden, geen (onnodige) omwegen , ik moet een trein halen. Bovendien, ik heb de man met het zwaaiende broodmes toch niets misdaan? Waarom zou ik bang moeten zijn? Maar toch, zo’n zwaaiend mes dicht bij je in de buurt is toch wel even heel erg spannend. Maar na een paar honderd meter is mijn hartslag weer rustiger en lijkt het akelige tafereel opgelost in de duisternis. De marge van de tijd is intact gebleven. Om 6.55 uur stal ik mijn fiets op het station van Arnhem. (Je moet er toch niet aan denken om onderweg een lekke band te scoren.) Vervolgens moet ik 5 minuten wachten omdat de loketten nog gesloten zijn. Voor me staan twee Chinezen. (Je voelt hem al aankomen.) Als je ’s morgens vroeg een trein moet halen en je bent nog niet in het bezit van een treinkaartje en de marge van de tijd begint ergens te slinken dan wil je één ding zeker niet en dat is dat er twee Chinezen vóór jou aan de beurt zijn. Dat vraagt om problemen en stress. Het is 07.00 uur. Het loket gaat open. Eén loket maar. De twee Chinezen moeten naar Brussel, dat is me wel duidelijk. Maar verder gaat alles in gebarentaal. Ik ga toch maar eens een klacht indien bij de NS; kunnen die lokettisten geen verplichte cursus Chinees volgen? Dat zou wel handig zijn. Dan heb ik binnen twee minuten mijn kaartje en kan op mijn gemak naar de trein lopen. Nu worden er minutenlang over en weer papieren uitgewisseld en in verschillende talen langs elkaar heen gepraat. De lokettiste blijft consequent Nederlands praten terwijl de Chinezen grossieren in onverstaanbaar gewauwel. “Rustig blijven Maarten” denk ik bij mijzelf. Het is nu 7.08 uur en de trein vertrekt om 7.16 uur. Om 7.11 begin ik mijn geduld te verliezen en wil zeggen: “Kan het niet wat sneller? Ik moet een trein halen”. Maar ik houd me in. Ik wil niet onbeleefd zijn. Dan denk ik bij mezelf: “Ik koop wel een kaartje in de trein. Ik leg het de conducteur wel uit dat er twee Chinezen….” Net op het moment dat ik wil weglopen, draaien de twee Chinezen zich om en gaan er vertwijfeld vandoor. Het is nu 7.13 uur. Ik loop drie passen naar voren, leg vier ineengevouwen tientjes op de balie en zeg ietwat gejaagd: “Retour Heerenveen”. De lokettiste kijkt me strak aan en roept kortaf: “Kunt u die briefjes zelf even open vouwen, waarom moet ik dat doen?” Ik gehoorzaam, kijk strak terug, neem het kaartje in ontvangst en zet het op een rennen. Eerst door de stationshal, drie trappen op, dan nog een lange gang, drie trappen af en vervolgens nog een weergaloze dribbel over perron 6A. Vier tellen nadat ik ben ingestapt, blaast de conducteur op zijn fluit, sluiten de deuren zich en vertrekt de trein richting Amersfoort. De marge van de tijd is wel erg op de proef gesteld. Ik had natuurlijk ook een kaartje kunnen kopen bij een van de automaten bij de ingang van het station maar dan moet je wel een geldige pinpas hebben en die lag keurig thuis op de kast bij de mobiele telefoon…. Ruim 10 minuten later bereikt de trein station Ede-Wageningen om daar vervolgens twintig(!) minuten te blijven stilstaan. De Reden; tussen Station Ede-Wageningen en station Barneveld is maar één spoor beschikbaar wegens werkzaamheden aan het spoor (daar ook al) en er moet gewacht worden op de trein die vanuit de andere richting (Barneveld) komt. En laat die trein nou net pech hebben met weet ik veel wat, waardoor deze langzamer moet rijden dan gebruikelijk. Maar om 07-46 uur wordt de reis vervolgd. De trein is nog maar net opgetrokken of hij remt alweer af om station Ede-Centrum aan te doen. Maar da’s logisch. Ook in Lunteren stopt de trein waar niemand in of uit blijkt te stappen, waardoor dit vriendelijke dorpje wordt gedegradeerd tot een onbeduidend vlekje op de Veluwse landkaart, Vervolgens bereiken we station Barneveld, waar de trein enigszins scheef tot stilstand komt. Alsof de rechter rails een centimeter op twintig zijn verzakt. Na station Barneveld mag station Barneveld-Noord natuurlijk niet ontbreken. Ik ga binnenkort toch maar eens een klacht indienen bij de NS. Het is toch te zot voor woorden dat zo’n metropool als Barneveld geen derde treinstation heeft? Ik doe bij deze de suggestie om binnen de korst mogelijke tijd een treinstation Barneveld-Binnen uit de grond te stampen! De trein komt weer op gang. De plaatsjes Kallenbroek en Terschuur passeren we zonder te stoppen. Vraag me niet waarom, het is mij ook een raadsel! Aha! Amersfoort komt in zicht. Hé, wat is dat? De trein mindert vaart. Een paar honderd meter voor het station komt mijn zo geliefde vervoermiddel tot stilstand. Er wordt omgeroepen dat er technische problemen zijn en dat het even kan duren. ‘Even kan duren.’ Wat wordt daarmee bedoeld? Seconden? Minuten? Uren? Dagen? Zal ik maar vast even opbellen naar Rommy (de mentalcoach van ons team zal ik maar zeggen) en melden dat ik wat later kom? O, nee, dat kan niet. Mijn mobiele telefoon ligt keurig netjes thuis op de kast in de woonkamer! Niet wanhopen Maarten, de tijd heeft nog genoeg marge. Het is inmiddels 9.30 uur geweest. Over vijf minuten vertrekt mijn trein richting Heerenveen. Dat haal ik gemakkelijk, toch? De trein beweegt weer.’Kan even duren’. Daar werd dus een paar minuten mee bedoeld. De machinist heeft me voor niets op de kast gejaagd. Binnenkort toch maar een klacht deponeren bij de NS; passagiertje pesten op zaterdagmorgen, dat kan echt niet door de beugel. Om 9.33 uur bereikt de trein het station van Amersfoort. Wat is dat? De deur klemt. Ik krijg hem niet open. Als ik me even kwaad maak, blijkt het wel te lukken. Ik ren over het perron, trap op, gang door, trap af naar spoor 1. De trein richting het noorden van het land staat gereed voor vertrek. Ik stap in. Tien tellen later vertrekt de trein daadwerkelijk. Zonder problemen. Echt waar. Nee, echt waar! Wat zeur ik nou eigenlijk? Tien tellen is veel. Héél veel! In Arnhem had ik maar vier tellen marge. De NS heeft me zomaar zes tellen cadeau gedaan! Ik ga binnenkort een bedankbrief schrijven aan de NS. Dat lijkt me wel op z’n plaats! Het traject Amersfoort – Zwolle verloopt onwaarschijnlijk soepel. Je zou er bijna argwaan van krijgen! Op het station van Zwolle wordt iets omgeroepen; “Het achterste treinstel gaat via Assen naar Groningen, het voorste treinstel gaat via Heerenveen naar Leeuwarden!” Natuurlijk zit ik in het achterste treinstel en dus verkeerd. Ja, waarom ook niet? Dat houdt de spanning er een beetje in. Ik verkas richting het voorste treinstel. Nou zit ik goed. Waarom vertrekt de trein niet? Hebben belhamels het spoor vernield? Heeft een uitgeprocedeerde asielzoeker zich vastgeketend aan de rails? Is de machinist in slaap gevallen? Ja, dat zou heel goed kunnen. Want is het niet zo dat Jannes van der Wal ooit op nagenoeg hetzelfde traject ook in slaap was gevallen? En Jannes, die was de allerbeste dat weten we allemaal. En wat de allerbeste kan overkomen dat kan iedereen overkomen. Aha! Er wordt weer wat omgeroepen:”Er zijn problemen bij het loskoppelen van de twee treinstellen. DE trein zal in zijn geheel vertrekken richting Groningen. Reizigers richting Heerenveen – Leeuwarden worden verzocht het treinstel te verlaten. Er staat een ander treinstel voor u klaar verderop ditzelfde spoor. Excuses voor het ongemak”. “Excuses aanvaard”, zegt een oudere mevrouw naast me. Ik kijk haar vol ongeloof aan. Ik gooi er liever nog een klachtje bovenop! Ik stap uit, loop al snelwandelend over het perron, stap in de juiste trein en wacht met smart op het volgende opstakel. De trein vertrekt. Na een paar minuten komt de conducteur bij me langs. Waar is mijn treinkaartje? Ik zoek in al mijn jas- en broekzakken. Heb ik mijn kaartje nog wel? Het moet in mijn portemonnee zitten. Waar is mijn portemonnee? Ben ik mijn portemonnee kwijt? Ben ik op het station van Arnhem gerold door die twee Chinezen? Ja, dat is het! Ik ga een klacht indienen bij de Chinese ambassade in Den Haag en dan vertel ik ze dat…. Ah, hier heb ik mijn kaartje. Mijn kaartje zat in inderdaad in mijn portemonnee. En mijn portemonnee zat in mijn rugzak. En mijn rugzak hing nog aan mijn rug. Ik was bijna vergeten dat ik nog een rugzak bij me had. Gek hé? Via Meppel en Steenwijk bereik ik Wolvega. Had ik altijd al een keer willen zijn. Wolvega. Daar droom je als klein jongetje van! De conducteur loopt weer langs. Van wie rinkelt de mobiel telefoon? Niet van mij. Want mijn mobiele telefoon ligt keurig netjes thuis op de kast in de woonkamer! Nee, het is de mobiele telefoon van de conducteur. Hij staat een meter naast me. Hij kijkt enigszins ernstig. Wat is er aan de hand? Een bommelding? Is er weer één spoor beschikbaar en moeten we wachten totdat de trein vanuit Nieuwebrug is gepasseerd? Heeft Nicolette Kluijver van BNN weer een grap uitgehaald? De conducteur sluit zonder een woord te zeggen zijn mobiele telefoon af, hangt uit de deuropening, kijkt naar links en rechts, blaast op zijn fluitje, de deuren sluiten nadat de conducteur is weggelopen en vervolgens rijdt de trein ….. achteruit! Geintje! Niet veel later bereik ik eindelijk Heerenveen, maar niet voordat de trein nog een keer is gestopt bij het ijsstadion om enkele tientallen Sven Kramer supporters te droppen die hun schaatsidool gaan aanmoedigen. Alsof die jongen dat überhaupt nodig heeft. Zonder al die supporters is hij ook wel op (elke) afstand de beste. Moedig liever een dammer aan wiens geduld en zenuwen de hele morgen al op de proef worden gesteld. Het is 10.25 uur, station Heerenveen. Op de laatste trede van de trap in het voetgangerstunneltje glijd ik bijna uit! Ik verdenk de NS ervan de trap te hebben ingesmeerd met groen zeep. Ook de laatste pesterij doorsta ik glansrijk want de schrijver van dit verhaal blijft keurig op de been! Zo, nu nog met de bus naar Mildam. Ik heb nog 1½ uur voordat de wedstrijd begint, er is nog genoeg marge. Wat? De eerstvolgende bus gaat pas over drie kwartier. Daar wacht ik niet op. Ik loop dat stukje naar Mildam wel even. Als tweevoudig deelnemer aan de Nijmeegse vierdaagse is dat kruimelwerk voor mij. Toch?.... Na een paar honderd meter vraag ik aan een postbezorger of dit de juiste weg naar Mildam is. “Mildam? Nooit van gehoord!”, is het antwoord. Die postbezorger heeft natuurlijk een arbeidsverleden bij de NS. En die mensen zijn er op getraind om het reizigers zo moeilijk en lastig mogelijk te maken. Dat zit in ze. Dat gaat er nooit meer uit. Ze staan er mee op en gaan er mee naar bed. Dat is hun passie. Ook al zijn ze intussen van baan veranderd. Ik ga binnenkort een klacht indienen bij uh ….. ja, bij wie eigenlijk? Even later heb ik meer geluk. Ik vraag aan een fietser of ik zo goed loop richting Mildam. “Ja, maar het is een flink eind doorlopen!” Tegen 11.00 uur loop ik Oranjewoud binnen en zie ook een bordje met Mildam erop staan; nog vier kilometer! Er is nog genoeg marge! In Oranjewoud vraag ik twee keer achter elkaar de weg. Even controleren of ik echt wel de kortste weg bewandel. Twee keer wordt mij exact hetzelfde verhaal verteld door een fietsende dame op leeftijd en een jonge vader die met z’n twee kleine kinderen de tuin aan het fatsoeneren is. Beiden hebben het over een bospad waar ik langs moet lopen en een groot chic hotel waar ik vervolgens langs moet kom en dat ik dan vanzelf bij de hoofdweg van Mildam zal uitkomen. Na het bospad en het hotel gepasseerd te zijn nog maar eens vragen aan een voorbijganger. “Hoe ver is het nog naar Mildam?” “Drie kilometer”, is het antwoord van een man van middelbare leeftijd. Inmiddels is het bijna 11.30 uur. Ik kom aan bij de hoofdweg. Dit moet de Schoterlandseweg zijn! Maar ik zie geen bordje met Schoterlandseweg erop. “Moet ik nu links of rechts af”, denk ik bij mezelf. “Ik moet op nummer 50 zijn. Maar wat heb ik eraan om naar het pand met nummer 50 te lopen als ik niet zeker weet dat dit de Schoterlandseweg is? Even aan die jogger vragen, die zal het wel weten!” “Wat Schoterlandseweg? Dat weet ik niet; ik ben onbekend hier. Ik kom uit Leeuwarden”, zegt de jogger halflachend. Ja, ik vind het ook allemaal wel grappig. Ik zeg tegen de jogger, “Ik moet om twaalf uur dammen in het ‘Hof van Schoterland’. Waarschijnlijk ben ik niet op tijd en ik kan mijn medespelers niet bereiken want mijn mobiele telefoon heb ik niet bij me”. Nee want die ligt thuis, kerig op de kast in de woonkamer .Opeens schiet er een onprettige gedachte door me heen; “als ik om 12.00 uur niet in de speelzaal ben dan neemt Rommy (onze mentalcoach zal ik maar zeggen) misschien wel mijn plaats in en heb ik deze helse ontbering voor niets doorstaan.” Wanhoop niet Maarten, al wordt de marge ondertussen wel erg fragiel. De jogger komt met een briljant idee op de proppen: “We bellen dat huis (het enige huis zo’n beetje in de hele buurt). De mensen in dit huis moeten toch wel weten waar het Hof van Schoterland is?” De jogger belt aan bij de voordeur. Er komt een oud vrouwtje naar de deur toegelopen. Ze kijkt door het raam van de voordeur naar buiten. “Wat heb ik nou op m’n bordje liggen”; zal ze gedacht hebben. “Twee onbekende jonge mannen voor mijn deur. En je hoort tegenwoordig zulke rare verhalen.” Verschrikt loopt ze terug naar de woonkamer. “Dat mens is bang”, zegt de jogger lachend. Ik vind het ook een steeds leuker verhaal worden maar niet heus! Of toch wel? Ik moet er nog over nadenken! We lopen het erf weer af als er plotseling aan de zijkant van het huis een deur opengaat. Een vrouw, waarschijnlijk de dochter van de oudere vrouw, vraagt wat we moeten. Net op het moment dat ze wil gaan uitleggen over hoe ik nou toch echt wel het beste in het ‘Hof van Schoterland’ kan komen, staat er aan de andere kant van de weg ineens een auto met een zwaaiende Rommy bij het geopende portier. Het is nu bij kwart voor twaalf. Enigszins verdwaasd loop ik naar de auto en stap in. Een ding staat als een paal boven water; de marge van de tijd (lees: op tijd komen) is nooit in gevaar geweest! Toch? “Ik heb je gebeld maar je reageerde niet!” zei Rommy. Tja, hoe zou dat nou komen? De autorit duurde niet mee dan drie minuten. Twaalf minuten voordat de wedstrijd begint arriveren we in de speelzaal. Ik ben 5 uur en 38 minuten onderweg geweest. Je moet er toch niet aan denken een langzame speler te treffen en/of in één of ander ingewikkeld eindspel verzeild te Raken. Om vervolgens urenlang achter het bord te zitten. Want vergeet één ding niet; ik moet straks natuurlijk ook weer naar huis. Al pak ik dan natuurlijk wel de bus naar Heerenveen. Als de buschauffeurs niet gaan staken tenminste…. Als ik aan de bar een kop koffie bestel lijkt mijn vermoeidheid zich te vermengen met iets van een flashback. Achter de bar staat een jonge vrouw die ik al eerder in mijn leven gezien lijk te hebben. Maar waar? Ik kan mijn ogen maar moeilijk van haar afhouden. Mijn gedachten dwalen af naar een ver verleden. Toen sprookjes nog bestonden, zal ik maar zeggen. De eerste twintig zetten raffel ik af in vijf minuten. Ondanks mijn snelle speeltempo kom ik beter uit de opening. Ook loop ik een paar keer op en neer. Maar niet om naar andere borden te kijken…… Als ik mijn 21e zet heb uitgevoerd zie ik de jonge vrouw weer langs de borden lopen om lege kopjes en glazen op te halen. Ik kijk aandachtig toe. Mijn blik gaat een paar keer op en neer van het dambord naar de vrouw. Ooit, in een ver verleden toen sprookjes nog bestonden, schreef ik wel eens gedichten. Als ik een gedicht zou moeten schrijven over deze vrouw dan zal het er ongeveer zó uitzien:
Zo maar een middag in Mildam
Dammen, in een stille zaal, bijkomend van een
vervelende reis, omringd door zwijgende mensen
Plotseling wordt de soberheid doorbroken op ‘Zo maar een middag in Mildam’
Gevoed door gevoelens van bewondering, oog voor pure schoonheid en
inspiratie opdoen voor waarover hij straks dromen zal, raffelt hij zijn
zetten af, in een zaal waar hij zich het liefst voor altijd zou wensen
Of het buiten nou vriest, de zon schijnt, het regent of het stormt, in zijn
hart zal hij dezelfde warmte voelen, als hij denkt, over dat, wat hij, op
‘Zo maar een middag in Mildam’, als bij herhaling zien zal
De reden van zijn gemoedstoestand dartelt rond, in de
stille speelzaal, zichtbaar voor alles en iedereen
Een parel van het zuiverste soort, samengesmolten tussen peinzende dammers
en één dromerige blik, alles is in geld uit te drukken, maar deze parel,
zeldzaam in zoveel opzichten, dat wordt een eindeloos getal
Deze parel heeft de vorm van een jonge vrouw, met de uitstraling van het
liefste meisje van de klas, ze is zo delicaat gebouwd, wat is het fijn om
naar haar te kijken
In de blik van haar vrolijke ogen ontwaart hij vitaliteit, genegenheid en
medeleven, hij proeft de ware zin van het leven, op ‘Zo maar een middag in
Mildam’
Ook al toont de jonge man geen emotie, inwendig staat
hij in vuur en vlam
Het doet hem pijn dat hij zo dadelijk zijn dampartij weer gaat vervolgen en
dat zijn ogen haar verschijning moeten ontwijken
De damstenen dansen om haar heen, alsof het vlinders zijn die hebben
gevonden wat ze zochten; de bloem die het lekkerst ruikt en het mooiste is
Kan hij maar voor een paar minuten zuurstof zijn, dat verlangend wacht door
haar opgesnoven te worden
Geïnhaleerd door haar longen; zodat hij voor heel even bij haar lieve Friese
meisjeshart kan zijn
De gedachte dat het niet altijd ‘Zo maar een middag in Mildam’ is, stemt hem
verdrietig, samenzijn met deze vrouw is een dierbare belevenis
Wat zou hij graag een keer tegen haar dammen, zodat hij
niet meer hoeft te raden, hoe slim ze zal blijken te zijn
Met z’n tweeën dezelfde beleving, hetzelfde plezier, een (samen)spel tussen
een parel en een dromer
De partij vindt de juiste balans tussen een tedere en een onzekere wereld,
wie de wedstrijd winnen zal,is van geen belang, hij is intens gelukkig, op
‘Zo maar een middag in Mildam’
Want door haar glimlach vergeet je alles, verlies partijen en domme
blunders, eindeloze reizen, vermoeiende voettochten door niemandsland, de
pesterijen van de NS en niet in de laatste plaats zelfs de diepst mogelijk
pijn……
Ik kijk nog een keer naar de jonge vrouw die wegloopt met een blad vol lege kopjes en glazen en voer gedachteloos mijn 22e zet uit. Mijn tegenstander denkt na en doet ook een zet. Ik sla een schijf. “Wat een hakker”, denk ik bij mezelf, in de veronderstelling dat hij een drie om drie wil nemen. Pas bij de volgende zet die mijn tegenstander uitvoert, dringt het tot me door dat ik een afschuwelijk blunder heb gemaakt….. Was het nu een combinatie van twee schijven krijgen en drie schijven kwijtraken of was het een combinatie van vermoeidheid en afleiding…….?
Dit is een verhaal over hoe het kan dat een goede dammer een enorme blunder maakt. Want ik ben toch een goede dammer? Ja toch? Of verdient die stelling een vraagteken? Maar is het leven zelf ook niet één groot vraagteken…….?
Generated with Turbo Dambase 5.0